A 18 november 2019

Wijst u uw werknemer op zijn recht op transitievergoeding?

Wanneer een werkgever het dienstverband met een werknemer beëindigt of niet voortzet, heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. Vanaf 1 januari 2020 heeft een werknemer vanaf dag één recht op deze vergoeding. Een werkgever dient deze vergoeding binnen één maand na het einde van het dienstverband uit te betalen. Betaalt een werkgever de transitievergoeding niet, dan kan de werknemer deze afdwingen bij de werkgever door binnen drie maanden na het einde van het dienstverband hiervoor een verzoekschrift in te dienen bij de kantonrechter.

Oordeel van het Hof

Op 8 oktober 2019 heeft het Gerechtshof Den Haag geoordeeld dat het verschuldigd zijn van de transitievergoeding invulling geeft aan de zorgplicht die de werkgever heeft ten opzichte van de werknemer die wordt ontslagen, of waarvan het contract niet wordt verlengd. Het niet uit eigen beweging overgaan tot betaling van de transitievergoeding, en maar afwachten of daar door een werknemer in rechte aanspraak op wordt gemaakt, zou in strijd zijn met artikel 7:673 en artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap. Het Hof benadrukt in haar uitspraak dat de vervaltermijn is bedoeld om onenigheid over de (omvang van) de transitievergoeding op korte termijn te doen beslechten.

Is het beleid binnen uw organisatie dat een transitievergoeding pas wordt betaald als een werknemer daar zelf aanspraak op maakt? Realiseert u zich dan dat het hof Den Haag van mening is dat dit niet getuigt van goed werkgeverschap, en dat u – ondanks dat de termijn is vervallen – toch kunt worden veroordeeld om de transitievergoeding te betalen. Wees dus gewaarschuwd!

Heeft u vragen over dit onderwerp?

Neem dan contact op met de helpdesk.